Notitie voor: Johannes Harteveld
Toen de jaren daar waren, was Jan zijn vader gevolgd naar zee.
Deze voer tijdens het tragische gebeuren als matroos op de SCH 437 van de Scheveningse rederij J.J. van der Toorn.
De inmiddels bijna 21-jarige Jan was eveneens als bemanningslid aan boord van de bewuste logger.
Het schip, toen nog slechts uitgerust met zeilen, had vanwege het slechter wordende weer op zondag 10 juni 1928 de beschutting van de baai van Lerwick opgezocht.
Jan, die zich vanwege dat slechte weer flink had geschoeid en een zogenoemde ruige monk - een zwaar wachtjek - droeg, kreeg op het moment waarop andere bemanningsleden bezig waren de zeilen in te halen, een klap van een door de wind wegdraaiend rondhout.
Jan sloeg als gevolg van die hevige klap overboord; door zijn zware zeekleding werd hij omlaaggetrokken en in het zicht van de veilige wal en onder de ogen van zijn vader verdronk de jonge zeeman.
Het doodsbericht bereikte de dinsdag daaropvolgend het vissersdorp en toonde opnieuw aan hoe wisselvallig het leven van de visserman kon zijn.
De moeder van het gezin was niet thuis toen op die bewuste dinsdag ’s middags om 12 uur de hervormde predikant ds. B. Tichelman zich met zijn jobstijding bij de familie vervoegde.
De aanwezige oudste dochter van het gezin moest de eerste klap opvangen.
De moeder werd vanuit het werkhuis bij haar mevrouw weggeroepen en het plotseling verschenen verdriet laat zich raden.
Een Schevenings gezin rouwde om hun zoon en broer, een Schevenings meisje treurde om haar verloofde.
En eens te meer bleek: niets is zeker in een zeemansleven.
Men kon bij het vertrek van een schip naar zee slechts hopen, slechts biddend vertrouwen.
De logger, met aan boord de vader, kwam in de loop van de zondag daaropvolgend te Scheveningen binnen.